Snoek

Wetenschappelijke naam: Esox lucius
Lengte: tot ±140 cm
Anaalvin en rugvin bevinden zich ver achterwaarts op het lichaam. De kop loopt uit in een platte, brede bek.
Het lichaam is getekend met goudkleurige stippen of strepen. De snoek heeft een voorkeur voor heldere wateren, omgeven door plantenrijke oeverzones.

Voedsel:
Zijn prooi bestaat hoofdzakelijk uit vis.
De Snoek is één van onze meest bekende roofvissen. Een roofvis die niet alleen flinke afmetingen kan bereiken, maar ook kan zorgen voor veel spektakel. De toegenomen interesse voor snoek brengt echter ook de nodige problemen met zich mee. Het aantal snoeken in een water is van nature beperkt. Dat geldt in het bijzonder voor grote snoek.
Daarnaast is het typische snoekwater - door o.a. waterverontreiniging - drastisch in omvang afgenomen.



Herkenning:
De snoek is gemakkelijk van de andere roofvissen te onderscheiden door de plaats van de anaal- en rugvin. Deze bevinden zich ver naar achteren op het lichaam. Een ander hard kenmerk van de snoek is de platte, brede bek. Op de kaken en op het verhemelte staan vele scherpe tandjes. Deze tandjes zijn naar achteren gericht, zodat een gegrepen prooi zich moeilijk kan loswerken.
Snoeken die zich tussen de waterplanten ophouden, hebben over het algemeen een schubbenkleed met groene kleurschakeringen en goudkleurige strepen. In de afwisseling van licht en schaduw tussen de waterplanten vallen zij daardoor nauwelijks op. De snoeken die zich in het open water ophouden, zijn over het algemeen getekend met bruintinten en goudkleurige stippen. In het onbegroeide water, waarin de invallende zonnestralen worden onderbroken door het golvende wateroppervlak, geeft dit een goede camouflage.
Voortplanting en ontwikkeling:

Een dame en drie heren.
In ons land paaien snoeken gewoonlijk voor de eerste keer bij een lengte van 30 tot 45 cm. Ze zijn dan tenminste twee jaar oud. Vanaf begin maart tot eind april komen de paairijpe snoeken bij elkaar op ondiepe plaatsen, waar waterplanten of resten daarvan aanwezig zijn. Tijdens het paaien zetten de vrouwtjessnoeken zo'n 15.000 tot 30.000 eitjes per kilogram lichaamsgewicht af. Een vrouwtjessnoek van 10 pond produceert dus zo'n 75.000 tot 150.000 eitjes.



De eitjes worden onmiddellijk na het afpaaien kleverig. Ze hechten zich daardoor gemakkelijk aan waterplanten. Eitjes die op de bodem trecht komen, beschimmelen en gaan dood. Na ongeveer 14 dagen komen de eitjes uit. De piepkleine snoekbroedjes kunnen dan nog nauwelijks zwemmen. Daarom hechten ze zich met een kleefplekje op de kop vast aan de waterplanten. Dit heet hangend snoekbroed. Deze nog niet volledig ontwikkelde visjes hebben aan de buikzijde een dooierzakje, waarin zich het voedsel voor de eerste levensdagen bevindt. Na 7 tot 11 dagen is dit dooierzakje Ingeteerd. Tegen die tijd heeft het visje een mondopening en kan de zwemblaas aan het wateroppervlak met lucht worden gevuld. Het snoekje kan dan vrij zwemmen. Het kan nu voor het eerst in zijn leven op jacht gaan. Eerst op watervlooien, die vanuit stilstand met een plotseling "schot" worden gegrepen en opgeslokt. Dit kenmerkende en spectaculaire jachtgedrag van het jonge snoekje zal gedurende de rest van zijn even niet wezenlijk meer veranderen. Vanaf een lengte van ongeveer 4 cm gaat het snoekje vis eten. Het is dan 5 tot 6 weken oud. Zolang de snoekjes nog dierlijk plankton aten, konden ze in grote aantallen dicht bij elkaar leven. Nu ze zich echter te goed gaan doen aan kleine visjes en daarbij ook elkaar kunnen opvreten! trekken ze uit de ondiepe paaigebieden weg op zoek naar ruimte en dekking. Die vinden ze vooral tussen de dichte begroeiing met waterplanten, welke in de ondiepe gedeelten en in het algemeen in de oeverzone van een water wordt aangetroffen.

Toch is ook daar het verblijf niet zonder gevaar. Vroeg in het voorjaar is er nog geen witvisbroed (voorn en brasem) aanwezig. Daarom moeten de eerste voorjaarssnoekjes het voor hun voedsel voornamelijk hebben van insektenlarven en van... elkaar! Vele van hen vallen zo ten prooi aan even oude soortgenootjes. Pas wanneer later in het voorjaar het witvisbroed massaal aanwezig is, wordt dit kannibalisme minder. Hoeveel snoekjes er dat voorjaar uiteindelijk overblijven, is vooral afhankelijk van de hoeveelheid waterplanten. Daar vinden ze immers beschutting. Zonder waterplanten is de kans groot, dat de snoekjes elkaar voortijdig als prooi te pakken nemen. Veel waterplanten betekent daarentegen een kleine pakkans, omdat er veel schuilplaatsen voorhanden zijn.

Het aantal snoekjes dat uiteindelijk overblijft, is ook afhankelijk van de vraat door oudere snoeken. Deze snoeken tot zo'n 60 cm lengte - bevinden zich meestal ook tussen de waterplanten, net als de eerstejaarssnoekjes. Naarmate er zich daar meer oudere snoeken bevinden, worden er ook meer eerstejaarssnoekjes weggevreten, zodat er minder overblijven.
In de herfst, wanneer de waterplanten massaal afsterven, zijn er nog maar weinig schuilplaatsen voor de eerstejaarssnoekjes over. In die periode vallen ze dan in grote aantallen ten prooi aan hun oudere soortgenoten.
De jonge snoekjes die aan al deze gevaren weten te ontsnappen, gaan hun eerste winter in met een lengte variërend van 15 tot 35 cm.

De groei in de tweede zomer zal bij de snoek meestal tot een lengte van 30 a 45 cm voeren. Ook dan zijn zij nog sterk gebonden aan de beschutting van de waterplanten. Door de aanwezigheid van grotere snoeken buiten de waterplantenzone's trekken ze niet naar het open water. Toch is het zelfs tussen die waterplanten niet altijd pluis, want ook daar kunnen ze grotere soortgenoten tegenkomen.
De groei in het derde en in volgende jaren lijkt vooral te worden bepaald door de mogelijkheden om de open onbegroeide gedeelten van het water te bevolken. Daar vinden ze voldoende prooivis die een goede groei mogelijk maakt. De kleinere snoeken trekken pas uit de waterplanten weg, wanneer er op het open water niet teveel snoeken van boven de circa 60 cm aanwezig zijn.
Als de kleinere snoeken naar het open water kunnen, groeien ze in het derde en vierde levensjaar snel door naar afmetingen van 50 a 60 cm. Bij deze lengte zijn ze zo goed als gevrijwaard van kannibalisme. Als er echter op het open water veel snoeken van boven de 60cm aanwezig zijn, dan blijven de snoeken van 45 tot 60 cm zich nog langer in de begroeiing ophouden. Daardoor worden de meeste eerste- en tweedejaarssnoeken (tot 45 cm) weggevreten.

Snoeken zijn volwassen als ze voor de eerste maal hebben gepaaid. Op het open water kunnen mannetjessnoeken ongeveer 85 cm lang worden. Vrouwtjes groeien vanaf het derde levensjaar sneller dan mannetjes. Snoeken van een meter lengte of meer zijn vrijwel altijd vrouwtjes. Zij kunnen een maximale lengte van circa 150 cm bereiken.

Veel van de onderwater foto’s zijn gemaakt door Edgar Donkervliet: www.EdgarsOnderwaterWereld.tk