Harder

Chelon labrosus (Risso, 1926)
Nederlandse naam:
Diklipharder
Beschrijving:
Harders zijn eigenlijk vissen van de tropische en subtropische zeeën. Enkele soorten echter komen in de gematigde streken voor. De diklipharder is daar een van.
De harder kan maximaal 90 cm lang en 680 gram zwaar worden. Hij heeft de typische kleine bek van de harders. De bovenlip is verdikt en vertoont een aantal karakteristieke wratachtige bobbeltjes. De schubben zijn relatief groot, en er is geen zijlijn zichtbaar. Typerend voor de groep zijn ook de twee rugvinnen, met name de eerste, die vier harde vinstralen heeft - opgezet heeft deze vin wel wat weg van een hele korte versie van een baarzenvin. De tweede rugvin en de aarsvin zijn hoekig en de staartvin is gevorkt.

Kleur:
Bovenzijde zilverachtig blauwgroen, onderzijde lichter tot bijna wit. Volwassen dieren hebben donkere lengtestrepen.
Voedsel:
Harders zijn planteneters: ze grazen algen en wieren van de zeebodem en van stenen, steigers en andere harde voorwerpen onder water. Zo nu en dan eten ze slakken. Ze hebben een lang darmkanaal om de voedingsstoffen uit dit moeilijk verteerbare materiaal te halen.Hij heeft daarom het lange spijsverteringskanaal van de vegetariër, en bovendien een gespierde 'kauwmaag'.
Voortplanting:
De paaitijd ligt in het voorjaar, het gebied is het Kanaal.

Leefgebied:
Ondiep water boven zachte bodems, liefst met veel wier- of zeegrasbegroeiing. Houdt van rustig water, en zit vaak in riviermondingen en lagunes. Kan goed tegen vervuild water. Actieve, typisch schoolvormende vissen.
Verspreiding:

Middellandse Zee, Zwarte Zee en Atlantische kusten van Noord Afrika tot halverwege de Britse Eilanden en het Nederlandse Deltagebied. Soms tot IJsland en Scandinavië, waar ze in kleine groepjes heen trekken. 's Winters zit deze vis alleen maar ten zuiden van de Noordzee, omdat hij niet tegen een lage watertemperatuur kan. In Nederland vrij algemeen. Vroeger dacht men, dat hij hier zeldzaam was en dat de gewone of dunlipharder (Liza ramada ) hier veel meer voorkwam. Maar volgens de huidige inzichten is het precies andersom. De dunlipharder heeft een dunne bovenlip en geen papillen.
Op Terschelling wordt sinds 2005 ambachtelijk op harders gevist. De vis wordt door de vissers met kleine bootjes en al wadend door het water de netten ingejaagd, waarbij hard schreeuwen en hard varen uit den boze is. De op deze manier gevangen vis krijgt het predicaat 'waddengoud', een keurmerk voor duurzaam gevangen vis uit de Waddenzee.
Namen:
Ned: Diklipharder (barbier, herder, witte zalm)
Lat: Chelon labrosus (Mugil labrosus)
Eng: Thick-lipped grey mullet (grey mullet)
Dui: Dicklippige Meeräsche
Fra: Muge (mulet, mulet lippu)
Dan: Tyklæbet gri multe