Gul / Kabeljauw

Gadus morhua Linnaeus, 1758
Nederlandse naam:
Kabeljauw
Beschrijving:
Kabeljauw is makkelijk te onderscheiden van andere kabeljauwachtige door de enkele 'baardhaar' (of kindraad) op de onderkaak en door de licht gekleurde lijn op de zijde.
De kleuren van kabeljauw variƫren van plaats tot plaats.
Deze vertegenwoordiger van de groep der kabeljauwachtige kan tot 1,5 m lang worden. Exemplaren van die lengte zijn zo'n 25 jaar oud. Er zijn zelfs nog grotere exemplaren gemeld. In 1895 ving men voor de Noord Amerikaanse kust de grootste kabeljauw die ooit gevangen werd: hij woog 95 kilogram en had een lengte van 1,8 meter. Door overbevissing is tegenwoordig het gemiddelde gewicht van een opgeviste kabeljauw 1 kilogram, de grotere exemplaren zijn zelden zwaarder dan 7 kilogram.
De vorm is karakteristiek voor de groep: langwerpig, met drie rugvinnen, twee aars- of anaalvinnen, een forse baarddraad midden onder de kin (misschien beter kindraad te noemen) en een duidelijke zijlijn die van de staart recht naar voren loopt tot onder de middelste rugvin, van daaraf een boog naar boven maakt en eindigt bij het kieuwdeksel.

Voedsel:
Jonge kabeljauw eet vooral kreeftachtigen, oudere dieren prefereren wormen, weekdieren, zakpijpen en kleine vissen.

Leefgebied:
Op of vlak bij de bodem boven een harde, onregelmatige ondergrond; diepte tussen 10 en 60 m, soms dieper; maximum diepte waarop wel eens kabeljauwen zijn aangetroffen is 600 m. Hun hele verdere leven zullen het zwervers blijven. Zo is bekend, dat kabeljauwen in de Noordzee van scheepswrak naar scheepswrak trekken. Voor de kabeljauw, zoals voor meer commerciële vissoorten, zijn kaarten gemaakt waarop je precies kunt zien in welk seizoen ze waar zitten. De gewoontes van diverse te onderscheiden rassen verschillen overigens nog behoorlijk van elkaar. Dat is een heel ingewikkeld verhaal, van belang voor de visserij, maar het valt buiten het bestek van deze site.
De jonge kabeljauwen hebben de neiging dichter bij de kust te komen dan de ouderen. Deze jonge dieren worden gullen genoemd. Als een visser in de Westerschelde of de Oosterschelde of elders dicht bij de kust kabeljauw vangt, is het eigenlijk altijd gul.

Kabeljauw is een koud water soort die een voorkeur heeft voor water rond de 10 graden Celsius. Het is in de Noordzee een algemeen voorkomende vis. Ze leven tot een diepte van 600 meter maar gewoonlijk worden ze aangetroffen op een diepte van 150 tot 200 meter. Kabeljauw kan een lengte van 1,6 meter bereiken en 40 kilogram wegen. Ze jagen op andere vis, kreeftachtige, inktvissen en wormen. Ze vormen scholen in ondiep water en maken beperkte tochten voor het zoeken van voedsel en de voortplanting. De kabeljauw in de Noordzee is ernstig overbevist.
Voortplanting:
Na vier jaar is de kabeljauw paairijp. De paring vindt plaats in het voorjaar. Eieren en sperma worden in het water uitgestoten, waar de bevruchting plaats vindt. Er is echter wel een vorm van lichamelijk contact tussen mannetje en vrouwtje. Een vrouwtje kan wel 0,5 tot 5 miljoen eieren per keer produceren! Deze eieren, zo'n 1,5 mm in doorsnede, zweven eerst in het water en stijgen dan naar de oppervlakte. Na 2 tot 4 weken komen ze uit.
De vislarven laten zich vervolgens, met dooierzak en al, met de stroom meedrijven: ze zien wel waar ze uitkomen. Als de dieren enkele jaren oud zijn gaan ze dichter bij de bodem leven. 's Zomers zitten ze ondieper dan 's winters. Maar dat geldt voor veel vissoorten.

Voortplanting in de Noordzee Kabeljauw als consumptievis
Kabeljauw stond in 1994 op de dertiende plaats in de lijst van 's werelds meest gevangen vissoorten, maar heeft in de jaren daarvoor hoger gestaan. In 1990 ving men wereldwijd nog 1,5 miljoen ton kabeljauw; in 1992 en 1994 was dit gedaald tot ongeveer 1,2 miljoen ton. In Noorwegen worden jaarlijks enkele duizenden tonnen kabeljauw voor de consumptie gekweekt. De kweek van kabeljauw zal in de toekomst groter worden, omdat er nu een speciaal voer is ontwikkeld voor jonge larven tot 40 dagen oud, dat uit garnalen en algen bestaat. In tegenstelling tot droogvoer wat vroeger werd gebruikt eten de jonge vissen dit wel.
In de Scandinavische landen wordt kabeljauw vaak gedroogd (stokvis) of gedroogd én gezouten (klipvis of rotsvis) verkocht. Ook in Portugal is "bakeljauw" (gezouten en gedroogde kabeljauw) geliefd. Levertraan is olie uit de lever van kabeljauw of heilbot. Kabeljauwafval wordt wel verwerkt tot vismeel.
Omdat het zo slecht gaat met de kabeljauw, besloten eind 2004 vier vooraanstaande restaurants in de provincie Utrecht om geen kabeljauw meer op het menu te zetten. Ze proberen op deze manier de klant duidelijk te maken "dat de keus in de toekomst nog veel beperkter kan uitvallen als er niets gedaan wordt aan het 'leegvissen' van de zee".
Volledig verspreidingsgebied
Beide zijden van de noordelijke Atlantische Oceaan. Aan de westzijde van Groenland tot Kaap Hatteras, aan de oostzijde van Nova Zembla en Spitsbergen tot halverwege de Golf van Biskaje en de Oostzee en de Noordzee.
De kabeljauwstand in de Noordzee
Het Noordzee kabeljauwbestand bevindt zich ver beneden het veilig biologisch minimum. Ook is het bestand opgebouwd uit een aantal slechte (= qua omvang kleine) jaarklassen. De laatste sterke jaarklasse werd geboren in 1985. De paaistand begin 1993 was al zorgwekkend klein: ongeveer 60.000 ton. Om weer voor redelijk sterke jaarklassen te zorgen, is minstens 150.000 ton volwassen kabeljauw nodig. Tussen 1993 en 1996 leek de stand zich te herstellen, maar vanaf 1997 zette een sterk dalende trend in. In 2002 was de paaistand in de Noordzee nog maar 30.000 ton, een historisch dieptepunt. In 2004 is besloten dat er in 2005 opnieuw minder gevist mag worden. Tevens wil de Europese Commissie visgronden afsluiten om de ernstig bedreigde kabeljauw te redden. Vissers mogen als compensatie dan wel meer haring en blauwe wijting vangen.
Van half februari tot eind april 2000 is de visserij op kabeljauw in de Ierse Zee (tussen Engeland en Ierland) verboden geweest. Op deze manier werd geprobeerd de volwassen kabeljauw in de paaitijd te beschermen. Ook zullen in de toekomst de sleepnetten aangepast worden, zodat jonge kabeljauw meer kans krijgt om te ontsnappen.
Vismethoden
Ondanks het feit dat men gebruik maakt van moderne technologie om de visscholen op te sporen, gebeurt het vissen zelf nog meestal zoals eeuwen geleden. De vissers zijn er zich van bewust dat hoe beter de vis behandeld wordt, hoe beter de vis is. Daarom gebruikt men, naast haringnetten en Deense sleepnetten, nog vaak beug- en handlijnen met haken.
Zo snel als de kabeljauw gevangen is laat men hem bloeden en wordt hij ontweid. Hij wordt in de boot onmiddellijk op ijs gelegd.
De visvangst op de kabeljauw is een eeuwenoude traditie. Sommigen beweren dat de Vikingen Amerika wisten te bereiken omdat ze geleerd hadden de kabeljauw te bewaren. Maar al vroeg heeft men streng beperkende maatregelen genomen. Zo werden in 1753 bepaalde vistuigen verboden en is de visvangst sinds 1875 wettelijk gereguleerd. Vandaag steunt men op de aanbevelingen van de visserijbiologen om de quota en andere beperkingen te bepalen zodat de visstand op peil gehouden kan worden.
Is stoppen met visserij de redding voor de kabeljauw?
De kans is aanwezig dat de kabeljauwstand zich helemaal niet meer kan herstellen. Door de sterke verkleining van de populatie verandert het ecologisch evenwicht in de zee, waardoor er te weinig geschikt voedsel overblijft om later weer de populatieomvang te laten toenemen. Zelfs als de kabeljauwvangst volledig stopgezet wordt, kan het aantal nog af blijven nemen. Onderzoeksgegevens uit Canada tonen aan deze onomkeerbare instorting van de populatie plaats vind bij vissoorten die zich bij lagere dichtheden minder goed voortplanten. Dit wordt het Allee-effect genoemd.
In Canada is dit effect als volgt te zien. Kabeljauwen voor de Canadese kust leven voornamelijk van één soort vis, de lodde. De kabeljauw eet vooral de kleine exemplaren van deze vis. Als er minder kabeljauw jaagt op deze kleine loddes, krijgen deze de kans om verder te groeien. Zo komen er na verloop van tijd meer middelgrote loddes (die meer eten!) en is er minder voedsel voor de lodde beschikbaar. De lodde als soort reageert daarop door minder kuit te schieten, waardoor er weer minder kleine loddes voor de kabeljauw beschikbaar zijn. Bij de Canadese kust is de voedselsituatie voor de kabeljauw daardoor ingrijpend veranderd bij gebrek aan kleine loddes. Het ecologisch systeem blijkt daar twee stabiele toestanden te hebben: één met veel kabeljauw en veel lodde en één met weinig exemplaren van deze soorten. Als gevolg van de overbevissing zou het ecosysteem van de ene in de andere toestand zijn gekomen en is er geen (natuurlijke) weg terug.

Het is de vraag of deze ontwikkeling ook op de Noordzee en de Britse kustwateren van toepassing is. Ten eerste komt de lodde als voedselbron voor de kabeljauw niet voor in de Noordzee. Ten tweede is de Noordzee kabeljauw niet van één prooisoort afhankelijk en kan zich daarom misschien met ander voedsel redden als het ecosysteem verandert. Verder zijn ecosystemen met twee evenwichtsituaties voor biologen een vrij nieuw onderzoeksterrein. Er is nog maar weinig over bekend en het zou bijvoorbeeld best kunnen zijn dat een factor als klimaatverandering ook van invloed is op de lange termijn fluctuaties van de visstand.
Opmerking:
Dit is één van de belangrijkste commerciële vissoorten ter wereld.
Namen:
Ned: Kabeljauw (dogger, gul, kolvis, labberdaan, muitje, stockvis,tor)
Lat: Gadus morhua
Eng: Cod (codling)
Dui: Kabeljau (Dorsch)
Fra: Cabillaud (morue)
Dan: Torsk

