Het strand
Een strand is een strook land langs het water (een zee, oceaan of een meer) die relatief vlak is. Een strand loopt zeewaarts naar beneden, en gaat over in de zeebodem.
Veelal bestaat een strand uit voornamelijk zand(zandstrand), soms uit voornamelijk kiezelstenen (kiezelstrand) of schelpen (schelpenstrand). Sommige stranden bestaan uit vulkanisch zand en zijn zwart van kleur. Een strand is weinig of niet begroeid, hoewel op rustige stranden, zoals op het eiland Schiermonnikoog en bij Nieuwvliet in Zeeuws Vlaanderen er lokaal wel wat zoutminnende planten groeien, en wat helmgras. Soms worden ook eventueel aanwezige duinen tot het strand gerekend. Een kuststrook die uit vaster materiaal bestaat, zoals rotsen, of begroeid is, wordt vaak oever genoemd.
Een strand langs een zee of oceaan loopt (deels) onder water als het vloed wordt.
Op een strand langs een zee of oceaan treft men in het algemeen zeewier en schelpen aan. Ook spoelen veel dingen aan, zoals wrakhout, kwallen, afval, dingen die van schepen afgevallen zijn. Strandjutters zijn op zoek naar waardevolle dingen die op het strand te vinden zijn. Vroeger (Middeleeuwen) bestond het strandrecht: het recht van de landsheer of de lokale bevolking op alles wat op het strand aanspoelde. Tegenwoordig blijft in de meeste westerse landen dat wat aanspoelt van de rechthebbende (veelal de eigenaar).
Een strand wordt vaak gebruikt als recreatiegebied, met name in de zomer.

Getijde (astronomie)
Laag water in een haven aan de kust van Wales. Hier is de getijdenwerking veel sterker dan in de Noordzee. De haven staat geheel droog. Het getijde of getij is het verschijnsel dat de watermassa's op aarde een dagelijks variërende hoogte vertonen, voornamelijk als gevolg van de invloed van de zwaartekracht van de maan. Ook de zon levert een, zij het slechts kleine, bijdrage aan dit verschijnsel.
De periode van het stijgen van het water heet vloed, die van het aflopen eb. De maximale waterhoogte heet hoogwater of hoogtij, de minimum hoogte laagwater of laagtij. Tijdens de kentering, als de stroomrichting omkeert, is er enige tijd geen stroming.
Getijdetypen
- Dubbeldaags getij.
- Tweemaal per dag hoogwater en tweemaal per dag laagwater.
- Springtij telkens na 14 3/4 dag en telkens zoveel dagen na volle of nieuwe maan als de leeftijd van het getij.
- Hoogwater op de dag van springtij valt op een vast uur. Doodtij valt 7 dagen na springtij.
- Gemengd
- Enkeldaags getij.
- Eenmaal per dag hoogwater en een maal per dag laagwater.
- Springtij valt telkens na 13 2/3 dag.
- Doodtij valt 7 dagen na springtij.
Eb en vloed
Op vrijwel elke plek van de oceaan treedt per dag tweemaal vloed op en ook tweemaal eb. De tijd tussen twee momenten met de hoogste waterstand bedraagt gemiddeld 12 uur en 25 minuten. De tijdsduur van 12 uur wordt veroorzaakt door de draaiing van de aarde om zijn as, de tijd van 25 minuten komt door de baan van de maan ten opzichte van de draaiende aarde.
Als het gisteren vloed was om 7 uur, zal die vandaag om 7.50 uur, dus ongeveer 50 minuten (= 2 x 25 min) later plaatsvinden; er zijn dan namelijk al 2 eb- en vloed cyclussen opgetreden.
De waterhoogte, die tijdens eb en vloed optreedt ten opzichte van het gemiddelde zeeniveau, varieert. Rond nieuwe en volle maan worden de getijdenbewegingen versterkt omdat de maan en de zon op één lijn staan. Dit verschijnsel wordt springvloed genoemd. Als de schijngestalte van de maan in het eerste kwartier of het laatste kwartier is treden juist de minste getijdenbewegingen op. Dit wordt doodtij genoemd.
Eb en vloed in de Noordzee
Laag water aan de kust van Bretagne
De tijd waarop eb en vloed optreden op een punt langs de kust wordt sterk bepaald door de lokale geografie.
De getijde beweging in de Noordzee wordt veroorzaakt door twee getijde golven.
- De eerste getijde golf komt langs de oostkust van Schotland en Engeland vanuit de Atlantische Oceaan de Noordzee binnen. Zij wordt omgebogen in het zuidelijke nauwere deel van de Noordzee om zich verder in noordoostelijke richting langs de kust voort te bewegen.
- De tweede getijde golf is van geringere invloed en komt vanaf de Atlantische Oceaan en het Nauw van Calais de Noordzee binnen.
Door de geringe en ongelijkvormige diepte (Doggersbank) van de Noordzee ontstaat er een vervorming van de getijde lijn, waardoor het dubbele laagwater (agger) ontstaat bij Hoek van Holland en de langgerekte vloedkop te Den Helder. Deze verschijnselen zijn dus niet afkomstig van een noord zuid tij maar alleen omdat de Noordzee niet overal even diep is.
Als er gekeken wordt naar de tijden van hoog- en laagwater, dan blijkt dat de tijd van hoogwater zich vrij regelmatig verlaat vanaf Wielingen tot aan Petten, waar zelfs twee hoogwaters kunnen voorkomen met een tussenruimte van ongeveer 2 uur. Daarna verlaat de tijd van hoogwater weer vrij regelmatig vanaf Den Helder om de Noord. Bij Vlissingen bedraagt het verschil in waterhoogten van eb en vloed ongeveer 382 cm. Bij Hoek van Holland slechts 169 cm. Den Helder 137 cm. Echter dan neemt het weer toe: Harlingen 201 cm., Delfzijl 299 cm.

We hebben in Nederland twee soorten stranden met diep water (Zeeland/Dishoek) en ondiep water (Zuid Holland/Terheide).
Het verschil is dat men op diep water met name andere vissoorten vangt dan op ondiep water.
Bijvoorbeeld als men op Dishoek een Schol vangt is dat normaal en op Terheide een toeval. Strand vissers zullen het met ons eens zijn dat het optische effect geweldig is.
Een zonsondergang over die enorme bak met water is fenomenaal!
